Wat vooraf gebeurde: Cor wordt door de huisarts onderzocht vanwege een plasprobleempje. De dokter kan niets vinden en daarom krijgt Cor een echoscopie in het ziekenhuis…
Cor heeft een afspraak in het ziekenhuis voor een echo. Natuurlijk gaat Sjaan met hem mee. In de informatie van het ziekenhuis stond dat een matig gevulde blaas nodig was. Voor vertrek naar het ziekenhuis had Cor na zijn ontbijt met twee koppen koffie nog twee glazen water gedronken. Dit voor de zekerheid om met een gevulde blaas het onderzoek te ondergaan.
De afdeling Radiologie kunnen ze met behulp van hier en daar vragen gemakkelijk vinden. Voor ze in de wachtruimte plaatsnemen vlucht Sjaan nog even naar het toilet. Cor had zich thuis heel relaxed gevoeld, maar Sjaan gierde van de zenuwen. Thuis had ze buikkrampen en ze was al drie keer wezen plassen. Bezorgd over wat ze mogelijk zouden aantreffen tijdens het onderzoek.
“Ben je al aan de beurt?”, vraagt ze als ze weer bij Cor in de wachtruimte plaatsneemt. “Nee, hè hè, anders zat ik hier toch niet. ”, is het droge antwoord van Cor. “Moet je niet nog even wat drinken? Je blaas moest toch vol zijn?” vraagt Sjaan. “Ik kan je zeggen dat die al bijna overloopt, hoor.”
“Wat bedoel je? Gaat het niet goed?” “Sjaan, hou nou eens op. De hele ochtend loop je al nerveus te doen.” “Ja, sorry, je hebt gelijk. Maar moet je niet heel nodig plassen dan? Ik weet er alles van, hoor. Zodra ik maar aan een toilet denk of een kraantje hoor lopen, dan moet ik al heel nodig. Heb jij dat niet? ik vraag me af of dat normaal is als je dat niet hebt, hoor.”
Om van het gezeur af te zijn , pakt Cor snel een tijdschrift en begint zogenaamd te lezen. “Cor?” “Wat is er nou toch? Het gaat goed, en ja ik moet nodig plassen, ja!” “Je hebt het blad op zijn kop!” Dan schiet Cor in de lach, Sjaan giert het uit tot Cor naar zijn kruis grijpt en naar de wc rent.
“Mijnheer de Bruin.” roept een assistente de wachtruimte in. Cor maakt een schijnbeweging en kiest dan toch maar voor de assistente. Sjaans hoofd gaat van links naar rechts, van Cor naar de assistente, alsof ze een tenniswedstrijd volgt en drentelt dan ten slotte achter Cor aan.
Wanneer Cor met een rood hoofd plaatsneemt op de onderzoeksbank breekt het zweet hem weer uit. Er wordt koude gelei op zijn onderbuik aangebracht, maar voor de uroloog verder gaat, spreekt hij voor Cor de verlossende woorden uit: ”U mag eerst even gaan plassen.”
Cor kan de man wel kussen, maar hij gunt zich daar geen tijd voor. Hij ritst snel zijn broek dicht, gelei of geen gelei, plassen moet hij! Wanneer het onderzoek is afgerond, Cor blij van de onderzoekstafel stapt, vraagt Sjaan of alles wel goed gaat met haar man. Maar dat horen ze pas als ze weer in de spreekkamer zitten.
De uroloog laat hen meekijken op zijn computerscherm en legt uit waar alle inwendige organen van Cor te zien zijn. Sjaan knikt belangstellend mee, maar snapt geen hout van die grijze massa. Het uiteindelijke bericht van de arts begrijpt ze wel. “Alles ziet er normaal uit.”
Met een grote zucht van opluchting gaat ze achterover in haar stoel zitten. Wanneer ze weer mogen gaan, geeft ze de dokter een stevige hand en schudt hem langdurig alsof ze zojuist de vrede in het Midden-Oosten afgekondigd hebben. Voor Sjaan voelde het in ieder geval wel zo.
In het ziekenhuiscafé drinken ze een kop koffie en nemen er een feestelijk stuk appeltaart met slagroom bij.